Doorgaan naar hoofdcontent
pdf?stylesheet=default
Blackboard Help

Beheerconsole

De beheerconsole is een tool voor diagnose en probleemoplossing voor beheerders van Blackboard Learn. Het wordt geleverd als building block en vereenvoudigt probleemoplossing door deze in de gebruikersinterface te starten. Gebruik de beheerconsole om problemen op te sporen of er samen met Blackboard Ondersteuningsteam aan te werken. Na de installatie wordt de beheerconsole weergegeven in de module Tools en hulpprogramma's in het configuratiescherm voor systeembeheer.

De beheerconsole heeft een aantal dynamische weergaven in lagere applicatieserveractiviteit waaronder:

  • geheugenverbruik
  • discussielijn-impasse
  • applicatiecachegedrag
  • lang draaiende SQL-instructies

Het bevat ook hulpprogramma's voor het dynamisch archiveren van verschillende systeemlogboeken via de gebruikersinterface of het genereren van systeemopnamepakketten van serveractiviteit voor offline-diagnose. Deze weergaven zijn specifiek voor de applicatieserver waar de beheerconsole wordt gebruikt. Er is echter een optie waardoor u kunt wisselen tussen applicatieservers als u er meer dan één hebt.

De beheerconsole legt ook een reeks aangepaste object bloot voor alle Blackboard Learn-applicatieservers. Deze objecten voldoen aan de standaarden van Java Management-extensies (JMX). Daardoor kunnen de Java Virtual Machine en andere aspecten van de applicatieserver gecontroleerd of beheerd worden door systeembeheersoftware van derden die voldoet aan JMX, zoals Zabbix of HP OpenView. Een alleen-lezen-weergave in het JMX-mbeanobject is voorzien in de interface van de beheerconsole zelf.

De beheerconsole op zich is geen complete applicatiemonitoring- of waarschuwingstool, en het houdt geen historische grafieken of benchmarks bij van de activiteit. Het is ontworpen om gebruikt te worden in combinatie met externe monitoringsystemen en om een initieel controlepunttool te bieden bij probleemoplossing.

De beheerconsole openen

Ga naar het configuratiescherm voor systeembeheer en klik onder Tools en functies op Beheerconsole. De beheerconsole geeft een computernaam weer boven aan de pagina. Dit stelt de computernaam voor van de applicatieserver in de configuratie met load balancing.

Caches

De functie caches bevat statistieken m.b.t. systeemcaches in het geheugen en informatie over hoe groot zij zijn, hoeveel machtigingen zij gebruiken, de paden op de cache-feeds, hun gebruik voor verschillende items (zoals caches voor bronbundelbestanden en caches voor instellingsrollen), en meer. Deze informatie wordt in het geheugen gehouden om databaseproblemen te voorkomen. Deze data vergemakkelijkt het tunen van geheugen en prestaties in het systeem van Blackboard Learn.

De functie Caches bevat de volgende informatie:

  • Elementen: Het totale aantal cache-elementen in deze systeemcache.
  • In geheugen: Het totale aantal caches in geheugen.
  • Grootte: De cachegrootte.
  • Hits: Het totale aantal hits voor de cache.
  • Buffer: De schijf-spoolbuffergrootte in MB. Schrijfacties worden in dit gebied uitgevoerd en worden dan asynchroon naar de schijf geschreven.
  • TTI: Time to idle. Het maximale aantal seconden dat een element kan bestaan in de cache zonder gebruikt te worden.
  • TTL:Time to live. Het maximale aantal seconden dat een element kan bestaan in de cache ongeacht het gebruik.
  • Verdrijvingsbeleid: Dit bepaalt het algoritme dat gebruikt wordt om te bepalen welke elementen verdreven worden wanneer de cache vol is. Wanneer bijvoorbeeld de limiet op het aantal items in de cache is bereikt.
  • Persistent: Als de schijfpersistent ingesteld is op waar, worden het dataopslagbestand en indexbestand van de schijfcache opgeslagen wanneer de applicatie wordt herstart.
  • Overstroming: Wanneer een element aan een cache wordt toegevoegd en de maximale geheugengrootte wordt overschreden, dan wordt een bestaand element geëvalueerd voor spoolen naar de schijf als de overstromingsschijf ingesteld is op waar. Anders wordt het element verwijderd.
  • Eeuwig: Wanneer eeuwig is ingesteld op waar, worden TTI en TTL genegeerd zodat er geen cache-element kan vervallen.
  • Clusterinvalidatie: Wanneer clusterinvalidatie is ingesteld op waar, worden gelijkaardige cache-elementen op meerdere instanties of clusters gesynchroniseerd bij wijzigingen aan een cache-element op één knooppunt.
  • Async: Deze instelling heeft betrekking op de clusterinvalidatie. De bijwerkingen van cache-elementen op meerdere clusters kunnen synchroon (async=vals) of asynchroon (async=waar) verlopen.

Databases

De functie Databases bevat gedetailleerde informatie over het poolgebruik van databaseverbindingen en potentiële prestatieproblemen m.b.t. lang draaiende SQL-query's. Het geeft de gebeurtenissen en luisteraars weer voor de verschillende tools die gebruikt worden voor een applicatie. Het geeft ook alle SQL-instructies weer voor een verstreken periode. De weergegeven informatie is voor de huidige geselecteerde weergave van de toepassingsserver in de database. U kunt gebruikmaken van de vervolgkeuzelijst Toepassingsserver wisselen bovenaan rechts om de toepassingsserverweergave te wijzigen.

De functie Database bevat de volgende verbindingspoolinformatie:

  • Tracering: Schakel dit vinkje in als u een databasetracering wilt uitvoeren op de geselecteerde verbindingspool.
  • Databasenaam: De databasenaam.
  • Luisteraars: Het totale aantal databaseluisteraars.
  • Gebeurtenissen: Het totale aantal databasegebeurtenissen
  • Hostnaam: De databasehostnaam.
  • Instantie: De instantienaam van de database.
  • Verbindingen in gebruik: Het totale aantal databaseverbindingen in gebruik.
  • Minimumgrootte van verbindingspool: De minimumgrootte van de pool voor de geselecteerde verbindingspool.
  • Maximumgrootte van pool: De maximumgrootte van de pool voor de geselecteerde verbindingspool.

De functie Database bevat de volgende lang draaiende SQL-instructie-informatie:

  • Verstreken tijd: De totale verstreken tijd (in minuten) voor de lang draaiende SQL-instructie.
  • SQL-instructie: De SQL-instructie.

Logboeken

Logboeken bevatten lijsten met realtime-systeemlogboeken en het volledige logbestand van elders in het configuratiescherm voor systeembeheer. Hierdoor kunnen systeemlogboeken eenvoudig worden bijgehouden in het hele systeem.

Klik op een koppeling van een logboek om een systeemlogboek te openen. Er wordt een nieuw venster weergegeven dat het logboek toont en waarmee u in het logboek kunt zoeken.

Monitors

Bekijk gedetailleerde informatie op ondersteunde monitors en hun verwante luisteraars. Deze interface bevat items die gekoppeld zijn aan de beheerconsole, zoals logboeken, cachegebeurtenissen, databasegebeurtenissen, enz. Het biedt een overzicht van de informatie. Dat is handig wanneer u fouten probeert op te sporen binnen de beheerconsole zelf.

Discussielijn

Navigeer doorheen een lijst van de huidige discussielijnen in de Java Virtual Machine (JVM). U kunt hier discussielijnen met problemen identificeren die onherstelbare fouten kunnen veroorzaken. Actieve discussielijnen worden met vetgedrukte groene tekst weergegeven. Niet-actieve discussielijnen worden zonder opmaak weergegeven.

Systeemopnames

Neem logboeken, metrische systeemgegevens en discussielijngegevens op als een snapshot in de tijd dat u in een ZIP-bestand kunt downloaden en analyseren.

Selecteer de knop Systeemopname maken om een systeemopname te maken. Al uw systeemopnames worden weergegeven in de interface. Klik op Verwijderen om een systeemopname te verwijderen.

De functie Systeemopnames bevat de volgende lang draaiende SQL-instructie-informatie:

  • Opnamedatum: De datum wanneer de systeemopname werd uitgevoerd.
  • Server: De toepassingsserver waarvoor de systeemopname werd uitgevoerd.

JMX Browser

Blader in en controleer extern de hiërarchie JMX MBean. U kunt alleen-lezen-toegang tot het soort informatie dat beschikbaar zou zijn als u een extern JMX-compatibel systeem had. Dit is een externe representatie van de JMX-velden op basis van uw omgeving. De velden die u in deze functie ziet, zijn afhankelijk van uw JMX MBeans en de software die u gebruikt.

Geheugen

Bekijk een dynamische representatie van het totale beschikbare systeemgeheugen en verkrijg een snelle snapshot van het geheugenverbruik in het systeem. De geheugenfunctie is niet ontworpen om historische geheugengegevens te bieden. Het is veeleer een live-geheugentool.

Er wordt informatie verstrekt voor vijf verschillende geheugenpools en deze worden geclassificeerd als heap of non-heap. Het betreft deze modules:

  • CMS Old Gen: de pool met oudere gearchiveerde objecten in de Survivor-ruimte.
  • CMS Perm Gen: de pool met alle reflectieve gegevens van de virtuele machine zelf, zoals klasse en methodeobjecten.
  • Code Cache: de pool die wordt gebruikt voor het compileren en opslaan van systeemeigen code.
  • Par Eden Space: de pool waarvan geheugen initieel wordt toegewezen voor de meeste objecten.
  • Par Survivor Space: de pool met objecten die de opruiming van de Eden-ruimte heeft overleefd.

Systeeminformatie

Bekijk gedetailleerde informatie, inclusief argumenten en klassepadinformatie, over uw besturingssysteem en Java Virtual Machine (JVM) en kom te weten hoe de JVM geïnstantieerd werd. U kunt systeeminformatie gebruikt als diagnostische tool voor een systeem dat zich slecht gedraagt en een snelle alleen-lezen-weergave verkrijgen van systeemopnames telkens als die worden uitgevoerd.

Deze functie is niet ontworpen als complete toepassingsmonitoringtool en het houdt niet bij hoe het systeem wordt gebruikt. Het is veeleer een tool voor probleem oplossing zodat u met Blackboard-ondersteuning kunt samenwerken om prestatieproblemen op te lossen. Gevorderde beheerders kunnen het ook gebruiken om systeemproblemen zelf op te lossen.